maandag 26 januari 2009

Aflevering 4: Shoarma met extra saus


Als Flapflap gehoopt had om indruk te maken met zijn nieuwe hoed, dan toch niet bij Wif. De straathond, diep verzonken in een gedachte over een shoarmaboom, zag Flapflap pas toen die vlak naast hem stond. Wif had hem aangekeken, met zijn kop geschud en gezegd: 'Laten we maar wat gaan eten Flapoleon. Jij trakteert.' Licht gekwetst liep Flapflap achter zijn vriend aan. Wif bestelde een broodje dubbel shoarma met extra saus. De shoarmameneer keek hoofdschuddend naar Flapflap en zijn enorme hoed. Flapflap schudde zijn hoofd ook, maar dan om aan te geven dat hij niks hoefde. De shoarmaman ging aan de slag. Flapflap wilde Wif vertellen over zijn hoed, maar voor hij iets kon zeggen kwam de shoarmavent terug. Met een rood aangelopen hoofd. En een lang mes in zijn hand. 'Wat hebben jullie met mijn kebab gedaan?', schreeuwde hij woedend. Wif en Flapflap keken elkaar aan, en Flapflap realiseerde zich tegelijkertijd dat zijn hoed verdwenen was. Tijd om daar over na te denken was er niet: de shoarmaknul maakte aanstalten om achter de toonbank vandaan te komen en het gesprek voort te zetten met zijn lange mes. Al rennend zagen Flapflap en Wif nog net hoe in de etalage een pikzwarte shoarmarol hen met priemende ogen nakeek...

Aflevering 3: Een wonderlijk hoofddeksel


Flapflap knipperde met zijn ogen en het volgende moment zag hij niets meer, althans geen duistere vlek die hem vuil aan keek. Hij wachtte tot zijn hartje iets minder snel klopte en sprong vervolgens net iets te resoluut uit zijn nest. Daarna zette hij een paar stappen buiten de deur. Verbaasd maar opgelucht zag hij een grote zwarte hoed. Die is vast tegen mijn raam gewaaid, bedacht Flapflap; een hoed met vlekken die je, als je maar slaperig genoeg was, heel goed zou kunnen aanzien voor twee enge ogen. Hij pakte de hoed van de grond, rook er aan, en zette hem op zijn hoofd. Omdat de hoed veel te groot was zakte die over zijn ogen, maar het gekke was: Flapflap kon nog alles zien. Nog gekker, het leek wel of hij de dingen beter zag. De flats en de bomen leken scherper afgetekend, de kleuren indringender. En, alsmaar gekker, het leek wel alsof hij die kleuren niet alleen zag, maar ook voelde. “Dit is een wonderlijke hoed”, zei Flapflap hardop, en daarna: ‘En nu is hij van mij.” Hij besloot naar de stad te wandelen. Op zoek naar Wif, die meestal maar op een van twee plekken te vinden was. Of hij zat bij de Poezenklub naar de dames te blaffen, of hij hing rond bij de shoarmatent. Nog een uitkomst voor Wif dat deze twee hotspots naast elkaar lagen.