dinsdag 13 januari 2009

Aflevering 2: Ochtendzweet



Nu hij wat koud water in zijn snavel had gegoten ging het wel weer, maar hoewel het tegen de schemering aanliep was Flapflap toch nog maar even zijn nestje ingekropen. Later die dag zou hij met Wif naar het museum gaan, en al wist ie uit ervaring dat een kleine kater goed was voor zijn waardering van kunst, hij wist ook dat je daarmee kon overdrijven. Wat extra slaap zou hem zeker geen kwaad doen. Hij viel direct in slaap, maar dromen deed hij deze keer niet. Zweten wel, en flink ook. Daar had de wodka van gisteren veel mee te maken, al zou een oplettende lezer er ook een voorbode van het aanstaande avontuur in kunnen zien. Hoe dan ook werd de vogel, in het schemer van de ochtend, wakker met een kletsnat verendek. Maar dat was niet het enige. De veren in zijn nek, nat als ze waren, stonden recht overeind. En daarvan wist Flapflap zelf direct hoe het kwam: er was iets vreselijk mis. Miljoenen jaren evolutie hadden hem dan een kleine hersenpan bezorgd, zijn instinct en daarmee zijn interne alarm was ruimschoots ontwikkeld. Langzaam opende hij zijn ogen en draaide hij zijn blik richting het raam. Eerst zag hij alleen een donkere vlek. Maar nog hij voor hij zichzelf uit kon lachen drong het tot hem door hoe, in het midden van die duisternis, twee boosaardige ogen hem woedend aan zaten te kijken.

Aflevering 1: Wodka en slechte plannen



Op het stukje grond dat de stad scheidt van het bos staat het huisje van Flapflap. Het is nacht, en Flapflap slaapt zijn roes uit. Hij heeft, zoals ie dat zelf graag noemt, een 'zware avond' gehad. Eerst had hij met Wif en Vis even geheime als kansloze plannen zitten smeden in 'De Foute Vos'. Bij elk glas wodka -de goede soort- werden de plannen complexer en idioter. Toen op een gegeven moment Vis in zijn kom in slaap bleek gevallen, had Flapflap besloten dat het wel weer mooi genoeg geweest was. Daarna was hij, dronken en goedgemutst, nog langsgegaan bij Kip, die een eitje voor hem had gebakken. Toen Kip hem er ook had uitgedonderd, was hij naar zijn huisje gestruikeld. En nu lag hij te slapen. Flapflap had een onrustige droom: de maan at de zon op, en daarna at de wolk de maan op, en daarna at de berg de wolk op, en zo maar verder. Vaag vroeg hij zich in zijn droom af wat er over zou blijven als dat zo doorging, toen hij wakker werd van een sombere maar luide grom. Of had het bij zijn droom gehoord? Flapflap smakte met zijn snavel, opende zijn zwarte kraaloogjes en stond op om een glaasje water te pakken.