
Flapflap knipperde met zijn ogen en het volgende moment zag hij niets meer, althans geen duistere vlek die hem vuil aan keek. Hij wachtte tot zijn hartje iets minder snel klopte en sprong vervolgens net iets te resoluut uit zijn nest. Daarna zette hij een paar stappen buiten de deur. Verbaasd maar opgelucht zag hij een grote zwarte hoed. Die is vast tegen mijn raam gewaaid, bedacht Flapflap; een hoed met vlekken die je, als je maar slaperig genoeg was, heel goed zou kunnen aanzien voor twee enge ogen. Hij pakte de hoed van de grond, rook er aan, en zette hem op zijn hoofd. Omdat de hoed veel te groot was zakte die over zijn ogen, maar het gekke was: Flapflap kon nog alles zien. Nog gekker, het leek wel of hij de dingen beter zag. De flats en de bomen leken scherper afgetekend, de kleuren indringender. En, alsmaar gekker, het leek wel alsof hij die kleuren niet alleen zag, maar ook voelde. “Dit is een wonderlijke hoed”, zei Flapflap hardop, en daarna: ‘En nu is hij van mij.” Hij besloot naar de stad te wandelen. Op zoek naar Wif, die meestal maar op een van twee plekken te vinden was. Of hij zat bij de Poezenklub naar de dames te blaffen, of hij hing rond bij de shoarmatent. Nog een uitkomst voor Wif dat deze twee hotspots naast elkaar lagen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten