
Op het stukje grond dat de stad scheidt van het bos staat het huisje van Flapflap. Het is nacht, en Flapflap slaapt zijn roes uit. Hij heeft, zoals ie dat zelf graag noemt, een 'zware avond' gehad. Eerst had hij met Wif en Vis even geheime als kansloze plannen zitten smeden in 'De Foute Vos'. Bij elk glas wodka -de goede soort- werden de plannen complexer en idioter. Toen op een gegeven moment Vis in zijn kom in slaap bleek gevallen, had Flapflap besloten dat het wel weer mooi genoeg geweest was. Daarna was hij, dronken en goedgemutst, nog langsgegaan bij Kip, die een eitje voor hem had gebakken. Toen Kip hem er ook had uitgedonderd, was hij naar zijn huisje gestruikeld. En nu lag hij te slapen. Flapflap had een onrustige droom: de maan at de zon op, en daarna at de wolk de maan op, en daarna at de berg de wolk op, en zo maar verder. Vaag vroeg hij zich in zijn droom af wat er over zou blijven als dat zo doorging, toen hij wakker werd van een sombere maar luide grom. Of had het bij zijn droom gehoord? Flapflap smakte met zijn snavel, opende zijn zwarte kraaloogjes en stond op om een glaasje water te pakken.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten